Lokale besturen staan elke dag in de frontlinie. Ze zijn het eerste aanspreekpunt voor inwoners die problemen ervaren in hun buurt, wijk of straat. Maar de instrumenten waarover burgemeesters beschikken, zijn al jaren niet meer meegegroeid met de complexiteit van de problemen. Dat is de kern van de conceptnota die ik samen met enkele collega-parlementsleden indiende in het Vlaams Parlement.
De nota leidde tot een hoorzitting waarbij academici en praktijkwerkers aan het woord kwamen. Wat bleek: de knelpunten die wij schetsten, worden op het terrein elke dag gevoeld.
Wat er mis is
Burgemeesters beschikken formeel over verantwoordelijkheden voor de lokale veiligheid, maar de slagkracht ontbreekt. Informatiedeling stuit op juridische drempels, diensten werken verkokerd. Preventie blijft te vaak ondergeschikt aan repressie, ook al is het wetenschappelijk bewijs voor de effectiviteit van preventief beleid overweldigend.
De bestaande lokale integrale veiligheidscellen rond radicalisering, de LIVC R's, zijn waardevolle overlegstructuren, maar ze zitten vast in een te eng kader. Met artikel 458ter van het Strafwetboek is er een wettelijk kader voor casusoverleg, maar voor overlastsituaties in de ruime zin biedt het artikel op dit ogenblik geen rechtsgrond. Omzendbrief 04/2018 van het College van procureurs-generaal wijst dan ook op het belang van een wettelijk kader voor een gedeeld beroepsgeheim ten dienste van de mogelijkheid tot interdisciplinair en probleemoplossend werken bij veel onveiligheidsvraagstukken.
Uit een bevraging van de VVSG blijkt dat 93 procent van de Vlaamse burgemeesters vindt dat de regierol inzake veiligheid bij hen hoort. Tegelijk geeft één op drie aan niet over de nodige instrumenten te beschikken. Dat is een structureel probleem.
Wat we voorstellen
De conceptnota vraagt twee dingen. Eerst: versterk wat al werkt. De LIVC R's moeten beter gemonitord, wetenschappelijk geëvalueerd en structureel ondersteund worden. Er is ook dringend nood aan een centraal registratiesysteem, zodat we patronen kunnen herkennen en de effectiviteit van trajecten kunnen meten. Deradicaliseringsambtenaren moeten structureel verankerd worden, ook op intergemeentelijk niveau.
Daarna zien we potentieel in een LIVC O, een lokale integrale veiligheidscel voor overlast. Niet als kopie van de LIVC R, maar als een flexibel kader dat lokale besturen in staat stelt om op maat te werken: met de juiste partners, afgestemd op de schaal van de gemeente of politiezone, en met juridische helderheid over informatiedeling.
De hoorzitting gaf ons ook een helder signaal mee van de VVSG: maak het overlegmodel niet te eng. Koppel het niet uitsluitend aan het fenomeen overlast, maar kies voor een breed integraal welzijns- en veiligheidsoverleg dat lokaal kan worden ingevuld op basis van wat er speelt. Dat is een terechte nuancering die mee de verdere uitwerking van de nota zal sturen.
De volledige hoorzitting in het Vlaams Parlement kan je hier herbekijken.
Methode boven structuur
Een les die zowel de academici als de praktijkwerkers onderstreepten: structuren lossen geen problemen op, mensen wel. Er wordt vandaag al goed samengewerkt maar het is tijd voor daadkracht. Een wettelijk kader is een hefboom, geen garantie. Het Ju.wel-project (justitie en welzijn) in Kortrijk slaagt erin bij bijna honderd procent van de aangemelde jongeren door te dringen, ook in de meest gesloten groepen. Niet door dwang, maar door consequent als hulpverlener op te treden en medewerkers in te zetten die de leefwereld van die jongeren kennen.
Dat model werkt. Maar vaak verdwijnt het zodra de subsidiekraan dichtgaat. Projectfinanciering voor twee jaar is qua basis niet voldoende voor duurzaam beleid.
De conceptnota is een eerste stap. De hoorzitting bevestigde dat de richting klopt. Nu is het aan de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement om de volgende stap te zetten. Het volledige verslag van de hoorzitting vind je hier terug.
Kris Declercq, Vlaams Parlementslid